Sterk spul dat krediet.


Geld wordt weleens vergeleken met het bloed van de economie. De kredietcrisis heeft pijnlijk duidelijk gemaakt, dat de economie aan een permanent infuus van kredieten ligt. Zodra de banken maar even minder krediet verlenen, gaan bedrijven over de kop en volgen de massa-ontslagen elkaar op. Ons wordt wijs gemaakt, dat de problemen met de subprime hypotheken een incident waren. Met een giga-kapitaalinjectie, wat meer regelgeving en betere controle zou het banksysteem weer goed functioneren. En o ja, we moeten de banken weer vertrouwen.

Hoofdoorzaak kredietcrisis

De hoofdoorzaak van de kredietcrisis ligt besloten in het bank/geld-systeem zelf. Uitgangspunt van het geldsysteem is, dat geld in omloop wordt gebracht door het verlenen van krediet en weer oplost op het moment, dat het krediet wordt terugbetaald. Westerse banken hanteren hierbij twee spelregels: 1. ten opzichte van de uitgeleende sommen hoeven ze maar 8% eigen vermogen te hebben [1] ; 2. ze moeten een klein percentage reserve in kas houden voor het verrichten van betalingen voor hun klanten en voor het verstrekken van contant geld.

Aan de hand van deze twee spelregels wordt het grootste gedeelte van het geld, dat klanten op betaal- en spaarrekeningen hebben staan, uitgeleend (bij Triodos is dat 65% [2], bij de meeste andere banken veel meer.) Het uitgeleende geld wordt door de kredietnemer uitgegeven en belandt vervolgens op rekeningen bij andere banken. De klanten van de eerste bank beschikken nu nog steeds over hun banktegoed, terwijl bij de ontvangende banken nieuwe banktegoeden zijn ontstaan. Deze nieuwe banktegoeden vormen weer aanleiding voor het verstrekken van nieuwe kredieten. Dat gaat zo door. De banktegoeden worden dus telkens vermenigvuldigd.

Dit systeem wordt “fractional reserve banking” genoemd. [3] De banken kunnen maar aan een fractie van hun verplichtingen voldoen. Ze hebben het geld van hun klanten uitgeleend, hoewel dit direct opeisbare banktegoeden betreft. Ze gokken er op, dat de klanten nooit méér op komen eisen, dan dat ze reserve in kas hebben en dat zonodig de centrale bank wel bij zal springen. Het percentage, dat banken niet uit mogen lenen (de z.g. kasreserve) kan wettelijk vastgesteld zijn (in de VS gold 1:9). In veel andere landen bepaalt de centrale bank het minimum percentage. Vóór de crisis heb ik voor Nederland een kasreserve percentage van slechts 3% gelezen.

Telkens wanneer een kredietnemer het geld van zijn lening uitgeeft, verhuist het geld naar een volgende bank, die er weer van profiteert om het grootste gedeelte uit te lenen. Hetzelfde geld wordt dus telkens opnieuw uitgeleend. Bij een systeem van 1:9 kan hetzelfde geld 9x uitgeleend worden. Bij een kasreserve van 3% kan het 32x uitgeleend worden. En bij elke keer dat het opnieuw uitgeleend wordt vangt een bank rente.

Het klassieke risico voor banken is, dat leningen niet terugbetaald worden. Dat risico neemt toe, wanneer er minder nieuwe leningen in omloop gebracht worden dan dat er leningen afgelost worden. Dan loopt namelijk de hoeveelheid beschikbaar geld in het land terug. Voor de bankwereld biedt een omgeving waarin de geldmassa permanent groeit, de minste risico’s. De centrale bank ziet er op toe, dat deze geldmassa blijft groeien (de z.g. 2% inflatie). Banken die geld nodig hebben kunnen bij de centrale bank geld lenen, met waardepapieren als onderpand. Ook wanneer de overheid geld leent, neemt de hoeveelheid geld in het land toe. Verreweg de grootste toename zit hem natuurlijk in de vermenigvuldigingsfactor, die door de banken zelf wordt gerealiseerd. Wanneer de vermenigvuldigingsfactor groeit, kunnen kredieten makkelijker terugbetaald worden. De inkomsten van de banken worden ook vermenigvuldigd. Er is dus een natuurlijke neiging om steeds hogere percentages uit te lenen. Ook kunnen steeds zwaardere eisen gesteld worden aan de kredietnemers om de risico’s te verlagen. Het gevolg van deze dynamiek is echter wel, dat de kasreserves afnemen.

De kasreserves dienen om klanten van contant geld te voorzien en, vooral, voor onderlinge betalingen tussen rekeningen bij verschillende banken. Wanneer een klant van bank A een betaling doet aan een rekeninghouder van bank B, gaat een stukje kasreserve van bank A naar bank B. En zodra een klant van een andere bank weer een betaling doet naar bank A, wordt de kasreserve weer aangevuld. Dit geld gaat dus op en neer tussen de banken. Vroeger duurde het wel drie dagen om een betaling te doen naar een rekening bij een andere bank. Banken hadden relatief veel kasreserve nodig. Sindsdien is het betalingsverkeer gemoderniseerd. De betalingen gaan nog dezelfde dag op en neer tussen de banken. Hetzelfde geld kan op een dag duizenden keren dienst doen voor betalingen tussen banken. Voor het onderlinge betalingsverkeer is nog maar weinig kasreserve nodig. Ook hebben de banken ervoor gezorgd, dat hun klanten nauwelijks nog bankbiljetten nodig hebben. Eerst moesten werkgevers verschuldigde lonen storten op bankrekeningen. Iedereen kreeg de beschikking over cheques, overschrijfkaarten en vervolgens plastic betaalkaarten. Tenslotte wordt ons nu de pinpas opgedrongen voor alle kleine uitgaven. Voor elke euro die wij niet in onze portemonnee houden, kunnen de banken een veelvoud aan leningen verstrekken…

Hoewel een groeiende geldmassa nodig is om het risico van systeemcrashes door niet-terugbetaalde leningen te verkleinen, leidt de vermenigvuldigingsfactor uiteindelijk tot steeds meer instabiliteit van de geldmassa en steeds kleinere kasreserves. Zodra een bank verliezen moet incasseren, verlaagt dit niet alleen zijn eigen vermogen, maar vaak ook zijn kasreserve. Komt de bank onder de 8% eigen vermogen of onder de verplichte kasreserve, dan is de bank volgens de spelregels uitgespeeld. Het waren de subprime hypotheekleningen, die het systeem in 2007 vast deden lopen, maar het had evengoed door verliezen op andere leningen kunnen komen, bijvoorbeeld op leningen aan derde wereld landen. De banken hadden eenvoudigweg onvoldoende reserves om verliezen op te vangen. Dat problemen bij één bank zich verspreiden over andere banken, komt door het feit, dat banken van elkaar geld lenen en waardepapieren van elkaar kopen om hun balansen te optimaliseren. Het feit, dat de subprimes verpakt waren als samengesteld financieel produkt, maakte het effect alleen maar groter. Hoofdoorzaak is echter niet het verlies op de subprime-hypotheken, maar de structureel afgenomen capaciteit van de banken om verliezen op te vangen. En dat is het gevolg van de natuurlijke dynamiek binnen het “fractional reserve banking”.

Gegijzeld

In veel landen werd de overheid te hulp geroepen om de banken te redden. Dat is opmerkelijk, want het banksysteem functioneert buiten alle democratische controle om. Het waren de directeuren van centrale banken, die de ministers van financiën bij de hand namen (of bij de neus namen) en hen naar internationale vergaderingen leidden om onvoorstelbaar hoge kredieten voor de banken los te peuteren. We staan garant met toekomstig belastinggeld. Maar de banken zouden er wel een marktconforme rente over betalen. Anders gezegd, dat berekenen ze weer door aan hun klanten: u en ik. In feite werden de ministers van financiën met de rug tegen de muur gezet. De banken mochten niet vallen, want ze waren te belangrijk.

De macht over het geld is in het verleden door parlementariërs uit handen gegeven. Zij hadden geen notie van wat geld was en hoe het geldsysteem werkt. Nu zijn het de banken die bepalen hoeveel geld er in omloop is en hoeveel de bevolking voor deze dienstverlening moet betalen. De vermenigvuldigingsfactor van het geld leidt ook tot een verschuiving van de macht in het land: in verhouding nemen banken steeds meer investeringsbeslissingen en de overheid steeds minder. Doordat er steeds meer geld in omloop is, worden ook steeds meer zaken koopbaar. Dit heeft onder andere geleid tot ontmanteling van overheidstaken. Overheden hebben veel diensten, die belangrijk zijn voor het goed functioneren van de maatschappij, te grabbel gegooid voor de winstmakerij: openbaar vervoer, posterijen, telefoon, water- en energievoorzieningen etc. Privé-bedrijven zouden beter presteren. Maar in feite verhult het een machtsverschuiving als gevolg van het “fractional reserve banking”.

Wij beweren nu nog steeds, dat we in een democratie leven, maar over één van de belangrijkste maatschappelijke factoren, geld, heeft het parlement geen zeggenschap meer. Om de macht over het geld weer binnen de democratie te brengen zijn slechts kleine wetswijzigingen nodig. Helaas snappen ook de parlementariërs van deze tijd, op een enkeling na, nog steeds niets van het geldsysteem. Dat is jammer, want met het terug nemen van de macht over het geld en een adequate bankhervorming, zouden ze de kredietcrisis vrijwel onmiddellijk kunnen stoppen. [4]

Bankhervorming

Kort omschreven, zou die bankhervorming er als volgt uit kunnen zien: de centrale bank wordt een staatsbank, en onderdeel van het ministerie van financiën. Deze staatsbank creëert als enige bank geld voor leningen. Het parlement bepaalt welk soort leningen voorrang moeten krijgen in het belang van de maatschappij. Die kunnen tegen gunstige voorwaarden verstrekt worden. Het parlement krijgt op deze manier veel meer invloed op de vormgeving van de samenleving.

De huidige commerciële banken worden doorgeefluik voor de leningen van de staatsbank aan het publiek. Zij beheren de betaal- en spaarrekeningen van hun klanten voor rekening van de staatsbank. Zij kunnen niet meer vrij over deze tegoeden beschikken en kunnen ze niet meer vermenigvuldigen. Ze zullen echter wel fondsen kunnen werven om uit te lenen.

Ethiek

Wanneer de penningmeester van een lokale sportvereniging het kasgeld ongezien zou gebruiken om het te beleggen en zichzelf zo te verrijken, dan loopt hij het risico daarvoor veroordeeld te worden. Maar wanneer bankiers het geld van onze betaalrekeningen op deze manier beheren, dan gaan ze vrij uit.

De corrupte spelregels voor banken zijn ontstaan in een ver verleden, toen goudsmeden, en later bankiers, er op uit waren hun klanten te bedotten. [5] Het enige verschil met vroeger is, dat het systeem officieel geworden is en de wet dit nu toestaat. Uiteraard wordt deze werkwijze zo veel mogelijk verborgen gehouden. Je zult geen enkele website van een bank of centrale bank vinden, waar heldere uitleg gegeven wordt over hoe een bank precies werkt en hoe het systeem in elkaar zit. Op scholen wordt het onderwerp niet behandeld – een heel enkele uitzondering daar gelaten – en zelfs bij de meeste economische opleidingen ontbreekt het in het programma.

Met name vanaf 1913, na de oprichting van de Federal Reserve Bank in de VS, hebben de bankiers het klaar gespeeld om in vele tientallen landen een eigen wettelijk kader te verkrijgen en de macht over het lokale geld in handen te nemen. In elk van deze landen kreeg één bank de rol van centrale bank. De namen van deze banken wekken de schijn, dat het om overheidsinstellingen gaat, terwijl ze juist – al dan niet stapsgewijs – onafhankelijk werden van het lokale parlement en de regering: De Nederlandse Bank N.V. (1914), Bank of Canada (1935), National Bank of Danmark (1936), Deutsche Bundesbank (1957), Banque de France (1993), Bank of Japan (1997), enz. Op hun bankbiljetten werden vaak portretten van koningen en staatslieden afgebeeld. In veel gevallen werd de schijn, dat het geld van de staat zou zijn, nog versterkt door het feit, dat de staat de verantwoordelijkheid behield om munten te slaan. Ook op de munten prijkte in de regel één of ander vertrouwenswekkend portret. Zo nodig werd zelfs de godsdienst erbij gehaald. Zo kreeg de Nederlandse gulden “God zij met u” in de zijkant gegraveerd.

Eeuwige economische groei

Het is dank zij het potentieel voor economische groei en de toenemende beschikbaarheid van grondstoffen en energie gedurende de vorige eeuw, dat de geldvermenigvuldiging niet tot problemen leidde, maar de economische groei zelfs aanwakkerde.

Mijn stelling is, dat het huidige banksysteem een gevaar vormt voor de toekomst van de mensheid. De permanente inflatie, die inherent is aan dit systeem, vormt een impuls voor steeds meer economische activiteit om het waardeverlies van het geld te compenseren en iets van het extra in omloop gebrachte geld te bemachtigen. Het hardnekkige geloof, dat een economie moet groeien om gezond te zijn, komt mijns inziens hier vandaan. (En bijvoorbeeld niet van één of andere spontane zucht van de arbeidersbevolking om steeds harder te werken.)

Duurzaamheid daarentegen, veronderstelt een evenwicht met ons leefmilieu. Ons leefmilieu groeit niet mee met de toename van onze economische activiteit en bevolking. Het wordt er door vernietigd. [6]

Wij moeten zo snel mogelijk af van ons inflationaire banksysteem en we moeten de macht over het geld terugbrengen waar het in een democratie thuis hoort: bij het parlement.

Nadere toelichtingen:

[1] De kapitaaleis van 8% is de zogenaamde standaard van het Basel Accoord uit 1988, waarop allerlei uitzonderingen van toepassing zijn. Zo hoeft een bank voor hypotheekleningen voor woningen slechts 4% aan kapitaal te reserveren, voor leningen aan andere banken meestal nog minder en voor leningen met staatsgarantie 0%.

http://www.bis.org/publ/bcbs04a.htm & http://www.bis.org/publ/bcbs04a.pdf?noframes=1

In 2004 stelde de Europese Commissie voor de 8% te verminderen tot 6% en de 4% voor hypotheekleningen tot 2,8%.

Link

Basel II uit 2006 biedt grote banken meer mogelijkheden om zelf de gunstigste methode te kiezen voor het bepalen van hun risico’s. http://www.bis.org/list/bcbs/tid_22/index.htm

[2] Bij Triodos Bank wordt 65% uitgeleend.

http://www.triodos.com/com/whats_new/latest_news/general/response_fin_crisis

[3] http://www.mises.org/story/2882#3 zie hoofdstukken Fractional Reserve Banking, Central Banking, Deposit Insurance. Merk op, dat Murray N. Rothbard (1926–1995) voorstander was van een terugkeer naar de goudstandaard, zoals bijv. ook Ron Paul. Hoewel begrijpelijk, bezien vanuit de VS-geschiedenis, heeft een geldsysteem gebaseerd op goud veel nadelen. Landen zonder goudmijnen moeten goud kopen (dus goederen en diensten afstaan aan goudleveranciers) enkel en alleen om over hun landelijke betaalmiddel te kunnen beschikken. Telkens wanneer meer goud op de wereldmarkt komt, zullen zij weer méér moeten kopen om te voorkomen, dat hun valutas relatief minder waard worden (ten opzichte van landen waarvan de goudvoorraad toeneemt). Goudproducenten zouden in veel aspecten supra-nationale macht verkrijgen, meer dan de Federal Reserve nu. Goud heeft geen stabiele waarde. De prijs kan beïnvloed worden door houders van grote voorraden, zoals de goudproducenten en de centrale banken. Zelfs grote aantallen kleine kopers en verkopers, wanneer ze gedreven worden door angst of hebberigheid, kunnen de prijs beïnvloeden. Al deze prijsfluctuaties kunnen een gevaar vormen voor elke economie, die zijn geldsysteem vastgepind heeft aan de waarde van goud. Nog meer dan nu, zou goud de oorzaak worden van conflicten, oppressie en oorlogen.

[4] Bankcrisis? Hervorming!

http://www.courtfool.info/nl_Bankcrisis_Hervorming.htm

[5] Geheimen van geld, rente en inflatie

http://www.courtfool.info/nl_Geheimen_van_geld_rente_en_inflatie.htm

[6] Energie-crisis: keerpunt van de mensheid.

http://www.courtfool.info/nl_Keerpunt_van_de_mensheid.htm

laatst bijgewerkt 4 juni 2009

De auteur is bereikbaar via www.courtfool.info .

Als u wenst, kunt u het artikel kopiëren, doorsturen of publiceren in kranten of op het internet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: